Een niet alledaagse vondst.


Bij het uitgraven van de verdwenen haven van Hulst werden enorme hoeveelheden aardewerk gevonden, hoofdzakelijk in de vorm van scherven. Dit is begrijpelijk omdat de bedding, toen de haven eenmaal buiten gebruik was geraakt, lange tijd als stortplaats heeft gefungeerd en men gooide daar meestal wel kapotte,  maar zelden of nooit intacte spullen  in. Toch kwam af en toe een vrijwel gave kan of kruik uit de modder te voorschijn, waaronder een fraaie baardmankruik.

Kruiken van deze soort worden zo genoemd omdat ze op de hals met een van een weelderige baard voorzien mannengezicht versierd zijn. En op de buik komen meestal nog andere versieringen voor als slingers, blaadjes en medaillons. Soms prijken op de kruik ook teksten waarin ( overmatig ) drankgebruik wordt afgeraden of juist aangeraden. En zelfs “stichtelijke” spreuken  zijn geen uitzondering. Maar omdat de teksten meestal door min of meer ongeletterde pottenbakkers werden aangebracht kost het vaak enige moeite ze te ontcijferen.

Baardmankruiken zijn gemaakt  van steengoed. Om dit te kunnen vervaardigen is behalve een speciale kleisoort een oven nodig die tot 1400 C verhit kan worden. Vermoedelijk is de productie van steengoed  in de 13e of 14e  eeuw begonnen in het Rijnland. Daar werd immers geschikte klei gevonden, er was voldoende brandstof voorhanden en de pottenbakkers hadden door ervaring geleerd hoe ze ovens konden bouwen die de vereiste hoge temperaturen konden opbrengen. De typische baardmankruiken werden er echter vermoedelijk pas rond 1500 geproduceerd. De vorm van de kruik, het voorkomen van het gelaat met baard en de gebruikte decoraties maken het meestal mogelijk de ouderdom en de productieplaats  te bepalen.

Bij de vervaardiging van zo’n  baardman werd door de pottenbakker eerst  de “kale” kruik  gemaakt. Die moest vervolgens  een tijdje drogen en pas daarna werden het oor, het  gezicht en de verdere versieringen aangebracht. Met uitzondering van het oor werden al deze extraatjes apart vervaardigd in mallen en met een dunne kleipap op de hals en de buik van de kruik “geplakt”.  Om het product een fraaie kleur te geven - steengoed is van nature grijs -  werd de kruik ondergedompeld in engobe. Dit is een dunne kleipap waarin zich metaaloxiden bevinden die voor bv. een egaal bruine  kleur zorgen. Bovendien werd de kruik tijdens het bakproces nog voorzien van een laagje zoutglazuur. Dit laatste was echter ook alleen bedoeld als verfraaiing, want steengoed is van zichzelf al waterdicht.

Over de vraag waarom de pottenbakkers een gezicht met baard op de hals van hun kruiken bevestigden en wie dat dan wel zou mogen voorstellen is heel wat gefilosofeerd.  Van alle geopperde mogelijkheden is de z.g. “Wilde Man” wellicht nog wel de meest voor de hand liggende kandidaat. Dat was een fabelachtig creatuur dat ooit in de Europese wildernis zou hebben rondgelopen en indertijd  veelvuldig op tekeningen en prenten werd afgebeeld met een behaard lichaam, een wilde bos hoofdharen en dito baard. Maar misschien betrof het gelaat gewoon een ludieke versiering of een soort “reclamestunt” van een pottenbakker die goed was aangeslagen en dus navolging had gevonden.

In productieplaatsen als Keulen, Frechen, Raeren en Siegburg moeten in elk geval enorme hoeveelheden baardmannen vervaardigd zijn, want ze waren erg gewild. In de 16e – 17e eeuw bestelde men in een herberg nu eenmaal bier of wijn niet per glas zoals in onze tijd gebruikelijk is, maar per kruik of kan en die werd  door de waard rechtstreeks uit het vat gevuld. Vanuit die kruik kon men dan zelf zijn glas of beker naar believen bijvullen, d.w.z. naar de mate van dorst die men had en/of het drinktempo dat men gewend was. Deze kruiken waren dus vrij groot, hadden een smalle hals en waren afsluitbaar door middel van een tinnen deksel met duimrust. Oudere exemplaren hadden een veel wijdere halsopening en waren dus wel geschikt om rechtstreeks uit te drinken. Bovendien waren die mooier versierd dan de latere baardmannen. Vermoedelijk werden ze als relatief dure nieuwigheid aanvankelijk vooral gebruikt door beter gesitueerden en vormden  zo een statussymbool op de eettafel. Later werden de versieringen eenvoudiger en werden de kruiken ook in minder rijke gezinnen gebruikt. Aan het eind van hun ontwikkeling waren de baardmankruiken "gedevalueerd" tot vrij grote voorraadkruiken voor winkel, keuken of kelder en was een minimaal baardmankopje op de hals als enige versiering overgebleven.

Wat er allemaal  in bewaard werd is nu niet meer na te gaan, maar dat ze niet alleen voor bier en wijn maar ook voor bv. olie en azijn gebruikt werden is vrijwel zeker. Want behalve dat het waterdicht is, is steengoed ook bestand tegen zuren en andere “bijtende” vloeistoffen. Wel moest gewaakt worden tegen het bevriezen van de inhoud, want dat deed door uitzetting de kruik onherroepelijk barsten. Erg stootvast was steengoed ook niet en plaatsen op een vuurtje om de vloeistof die erin zat te verwarmen betekende eveneens het voortijdige einde van de kan of kruik.

Het door ons gevonden exemplaar is vermoedelijk tussen 1530 en 1575 in Keulen of Frechen gemaakt en heeft  alle genoemde  risico's  overleefd,  maar is uiteindelijk toch opzettelijk of per ongeluk in de Hulsterse haven terecht gekomen. En dank zij de oplettendheid van een amateur-archeoloog werd deze baardman gered voor hij  tijdens de graafwerkzaamheden door de bak of rupsbanden van de kraan alsnog vermorzeld kon worden. Hopelijk komt hij nu terecht waar hij thuishoort, d.w.z. in de vitrine van een museum dicht bij de plaats waar hij zoveel eeuwen verborgen en vrijwel onbeschadigd in de modder heeft doorgebracht.

Baardmannen in de Bierkaai

Mark Zwartelé,

Werkgroep Archeologie Hulst

Literatuurverwijzing:

Hees, Christel van, “Baardmannen en puntneuzen. 1500 – 1700”. ( Rotterdam, Boymans – van Beuningen, 2002 ).