Bij de ontwikkeling van het geschut vervaardigde men aanvankelijk alleen kanonnen die projectielen recht vooruit schoten. Men noemde dit dan ook "vlakbaangeschut". De afgevuurde kogels waren massieve gietijzeren bollen van diverse kalibers die door de kracht van de inslagen stenen stads- en vestingmuren ernstig konden beschadigen.


De later in zwang gekomen vestingwerken met aarden wallen waren minder kwetsbaar voor deze vorm van beschieten omdat de kracht van de kogels in het zand werd gesmoord.


Naast het genoemde vlakbaangeschut was een tweede type, het zg. "krombaangeschut" ontwikkeld. Men was nl. op het idee gekomen om de aanvankelijk massieve kanonskogels hol te maken en te vullen met buskruit.



Mortiervuur


Maar ook de soldaten die de kanonnen of mortieren afschoten liepen behoorlijke risico's.


Dit bewijst het in de haven teruggevonden stuk van een ontplofte mortier. De loop is bij het afvuren uit elkaar gespat en naar het lot van de erbij staande bedieningsmanschappen hoeven we niet te raden . . . .

Mark Zwartelé,

Werkgroep Archeologie Hulst

Bij de foto's:

1. Mortier (krombaangeschut)

2. Stuk van een ontplofte mortier (Bierkaai, Hulst).

3. Mortiergranaat met vulgat (Bierkaai, Hulst).

Na het aanbrengen van een lont werd de vulopening afgesloten met een houten stop. Het kanon zelf ( de mortier ) had een wijde, maar zeer korte loop en schoot de kogel ( nu granaat genoemd ) met brandend lont in een boog over de muur of wal de vesting in. Als de brandtijd van het lont goed berekend was explodeerde het projectiel op het moment dat het op de grond kwam zodat de vijand niet de kans kreeg het te doven. Dergelijke vaak vrij grote granaten konden enorme verwoestingen aanrichten in de bebouwing van de belegerde stad of vesting.